Er zijn verschillende stoffen die de lucht vervuilen. De belangrijkste zijn stikstofdioxide, fijnstof, koolstofmonoxide, methaan, ozon, ammoniak, zwaveldioxide en vluchtige organische stoffen. Deze stoffen zijn al aanwezig in de natuur, maar komen ook in de lucht door landbouw, verkeer, scheepvaart en industrie.

In de Wet milieubeheer zijn normen voor de luchtkwaliteit opgenomen. Die normen zijn gericht op de bescherming van de gezondheid van mensen en zijn gebaseerd op Europese richtlijnen. De EU heeft grenswaarden vastgesteld voor onder andere stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10 en het nog fijnere PM2,5). Deze normen zijn maximale concentraties die mogen voorkomen op plaatsen waar mensen kunnen komen. Daarnaast zijn er in het Activiteitenbesluit emissie-eisen vastgelegd voor de maximale concentraties van stoffen die door industriële bronnen (bijvoorbeeld schoorstenen) in de lucht mogen worden geblazen.

Binnen het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) wordt gemonitord of de luchtkwaliteit in Nederland voldoet aan de normen door berekeningen. Naast deze berekeningen, voert het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) metingen uit. Ook controleert het RIVM met zijn metingen of de NSL-rekenmethode nog klopt. De emissies van bedrijven kunnen door het bevoegd gezag (gemeente of provincie) in het kader van handhaving worden gemeten en veel bedrijven hebben de verplichting om periodiek zelf metingen uit te laten voeren. Deze metingen worden dan door Omgevingsdienst IJsselland beoordeeld en gecontroleerd.

Het kan soms flink stinken nabij een bedrijf. Sommige stoffen hebben een sterke geur. Er hoeft dan maar heel weinig van in de lucht te zitten om het te ruiken en het betekent niet automatisch dat een norm wordt overschreden. Wel kan het heel hinderlijk zijn en kunnen mensen daar stress van krijgen, met soms ook lichamelijke klachten. Het is niet altijd te voorkomen dat geur te ruiken is in de omgeving en soms hebben mensen ook hinder van de geur. Een beetje geurhinder is toegestaan: in de wet wordt gesproken over een ‘aanvaardbaar geurhinderniveau’. Verder geldt altijd dat een bedrijf er alles aan moet doen om de uitstoot en ook de geurhinder zoveel mogelijk te beperken. Zodra er nieuwe technieken bestaan, moeten bedrijven die in principe toepassen. De vergunningverlener (gemeente of provincie) kan besluiten om een geuronderzoek te doen. Wanneer daaruit blijkt dat er ook na maatregelen nog te veel geurhinder is, moet het bedrijf verdere maatregelen treffen.