Voorwaarden vooronderzoek meldingen bodemkwaliteit

Aan welke voorwaarden moet het vooronderzoek voor grondverzet voldoen? Grondverzet binnen de regio kan in veel gevallen plaatsvinden op basis van de bodemkwaliteitskaart. Volgens artikel 4.3.5 van de regeling bodemkwaliteit is bij grondverzet waarbij de bodemkwaliteitskaart als bewijsmiddel gebruikt wordt, een vooronderzoek nodig. Dit vooronderzoek moet aantonen dat de toe te passen grond binnen het toepassingsgebied van de bodemkwaliteitskaart valt en dat de bodemkwaliteit niet afwijkt van de kwaliteit die op de bodemkwaliteitskaart is aangegeven. Hiervoor moet voor landbodem een vooronderzoek conform de NEN 5725 worden uitgevoerd en voor waterbodem moet een vooronderzoek volgens de NEN 5717 worden uitgevoerd.

Vooronderzoek volgens NEN 5725 (bij landbodem)
Bij vooronderzoek volgens de NEN 5725 bij het toepassen van grond op basis van de bodemkwaliteitskaart moet gekeken worden naar zowel de ontgravings- als toepassingslocatie. Van de toepassingslocatie moet het volgende uitgezocht worden (Aanleiding C in de NEN 5725):

  • Afbakening (is de toepassingslocatie voldoende afgebakend en ligt deze binnen het toepassingsgebied van de bodemkwaliteitskaart?)
  • Wat is de bodemkwaliteitsklasse van de ontvangende bodem volgens de bodemkwaliteitskaart?

Van de ontgravingslocatie moet het volgende uitgezocht worden (Aanleiding F in de NEN 5725):

  • Afbakening (is de toepassingslocatie voldoende afgebakend en ligt deze binnen het toepassingsgebied van de bodemkwaliteitskaart?)
  • Wat is de bodemkwaliteitsklasse van de ontvangende bodem volgens de bodemkwaliteitskaart?
  • Is de bodem asbestverdacht?
  • Is het op basis van activiteiten, ontgraving of ongewoon voorval aannemelijk dat de bodemkwaliteit ter plaatse is veranderd sinds het vaststellen of actualiseren van de bodemkwaliteitskaart?
  • Zijn puntbronnen aanwezig of is ernstige bodemverontreiniging te verwachten binnen het ontgravingsprofiel?
  • Kan de bodemkwaliteitskaart als basis dienen voor een milieuhygiënische verklaring voor de vrijkomende grond binnen het beheergebied of is bodemonderzoek noodzakelijk?

Wanneer uit het vooronderzoek blijkt dat de ontgravingslocatie verontreinigd is, verdacht is voor verontreiniging of anderzijds niet representatief is voor de omgeving mag de bodemkwaliteitskaart niet als bewijsmiddel gebruikt worden bij grondverzet. In dat geval is een partijkeuring conform BRL 1000 nodig.

Vooronderzoek bij waterbodems
In de regio IJsselland zijn waterbodems uitgesloten van de bodemkwaliteitskaart. De bodemkwaliteitskaart kan daarom niet als bewijsmiddel gebruikt worden voor waterbodem. Een uitzondering hierop zijn de droog blijvende delen in uiterwaarden van de Overijsselse Vecht. Het vooronderzoek voor de droge delen van de uiterwaarden van de Overijsselse Vecht mag op dezelfde manier worden uitgevoerd als voor landbodem.